Friday, March 28, 2008
Tuesday, October 26, 2004
LAMBERT RIJCKSZ LUSTIGH 1654-1727
Geschrift van Lambert Rijcksz Lustigh 01.11.00: 11.25 ______________________________________________________________
Stad & Lande
fo. 35 t/m 42 F 2 (1)
Kaerle, bij de gratie Gods, gekozen Rooms Koninck toekomende Keijser altijt vermeerder des Rijckx, Koninck van Kastilien van Leon van Grenada, van Arragon, van Navarre, van beijde Cicilien, van Jerusalem, van Valence, van Majorequi, van Sardens, van Corsica en .... Hertoege van Oostenrijk, Hertoege van Bougonge, van Lotharingen, van Brabant, van Lembourch en van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artoys, van Bourgpingne, van Henegauwe, van Hollant, van Zeland, van Namen en van Zutphen, Marcgrave des Heylicx Rijcx, heer van Vrielant, van Salyns, ende van Machelen,
Alsoo die Burgemeesteren , Schepenen ende Regeerders onser stede van Naerden over ende in de name van de gemeene ingesetenen aldaare bij see-keren hen luyden supplicatie gepresenteert in onsen Rade in Hollant, op den 20 dagh Maart van den Jare 1544 aldaaer vertoont ende te kennen gegeven hadden, hoe dat in Goylant gelegen waren seekere landen, genoemt die gemeenten, die bij die van Naerden ende andere inwoonders van Goylant gebruykt waren, bij scharingen, ende alsoo voortijts seekere questie tusschen den gebruykers gevallen waren, soo hadden die voorsaten van die zupplianten ende die van de dorpen van Goylant in den jare 1404 gemaakt seeker accoort selve onder anderen inhoudende, dat die van Naarden alle Jaren op Sinte Geertruy ten dagh of agt dagen daarte voeren van heur Stede boesen souden vier goede mannen, ende van gelijen de vier Burgemeesteren van Goijlant uijt de dorpen van Laren en Huijsen ook vier goede mannen, nut en bequaam sijnde, om te wesen Schaarmeesters der voorsz gemeente, die alle Jaren bij heuren Eede op ten voorsz Sinte Geertruijten dagh souden doen de voorsz scharinge sulcx dat die beesten wel gevoet mogten werden, in soo verren sulce schaarmeesters met inhouden accorderen souden die van Naarden, eerste Jaar die scharinge setten ende die van Goijlant ander Jaar, ende so verre dan weder geschil viele, weder contract bij wijlen zaliger memorie aelbregt van beijren grave van Hollant geconfirmeert ware geweest, dat daar naar te weten in den Jare 1442, bij consente van de Burgemr., schepenen en Regeerders onser voorsz. stede van Naerden, ende van die van de dorpen van Goylant seekere willekeuren waren gemaakt geweest, inhoudende dat elck persoen die regt hadde tot de voorsz. scharinge, voor den tijt van 75 jaren doen eerst koemende, stellen soude agt schaarbeesten, 't wecke sulckx ware onderhouden geweest, maar alsoo binnen middelen tijde 't lant seer gepopuleert ende menigvuldiger geworden was sulckx dat indien deselve willekeur (die ook lange geexpireert was, noch onderhouden ware de voorsz gemeente geschapen was te niet te gaan, alsoo sij niet magtigh en waren, die menigvuldigheijt der beesten te voeden 't welck aengemerckt, ende ten eijnde daar inne bequaamen regel gestelt worde soo hadden de voorsz zup-plianten, aen den voorsz van Goijlant versogt, om eene nieuwe scharinge tot minder getal te setten, maar want 't selve van Goijlant tot geene redelijckheijt verstaan en wilden hadden de voornoemde Zupplianten tot prophijte van de gemeente volgens 't voorsz contract op Sinte Geertruijten dagh anno 1544 voorsz deselve scharinge vermindere, ende gemoedereert van agt schaarbeesten, tot sesse, ende howel de voornoemde Zupplianten 't selve doende niet en hadden geexcedeert voorsz geconfirmeerde accoort, maar gemeenlants oirbaar ende prophijt gedaan des nochtans niet tegenstaande de voornoemde van Goijlant en hadden hen daar naar niet willen reguleren, als waarom de voornoemde Zupplianten genootsaakt hadden geweest 't selve te kennen te geven, den voorsz van onsen rade in Hollant aldaar sij op heuren te kennen geven verkregen hadden schere besloeten letteren aen den Burgermeesters en regeerders van de dorpen van Laren, Hilversum, Blaricum ende Huijsen, den welcken hen Luijden bij den selven letteren van onsent wegen bevoelen was te koemen en te compaeren op den 10 dagh van april Anno 1545 voor seekeren onsen raden, die sij daartoe deputeren ende admitteren souden, de welcke hen luijden met den voornoemde zupplianten hooren souden op het inhouden van den voorsz requeste, ende den voornoemde partijen vereenigen, soo verre den luijden doenlijc ware, indien niet alles rapport te doen, omme voorts bij den voornoemde van onsen rade in Hollant, daarop geappometeert te werden soo dat behoren soude, ende ten voorsz gesetten dage diendende ofe anderen dar voeren onderhouden, compareerden de voorsz partijen voor meesters Cornelis Zuijs ende Arnout Sasbout onsen rade ordinarissen in Hollant commissarissen daarop gedeputeert vanwegen der voornoemde requiranten, emploijerende heur luijden voorsz questie voor haren heesch, waar bij de redenen, ende de middelen in der selven requeste begrepen, en bij meer anderen van heuren wegen gealligeert geconcludeert geweest, ten fine die voornoemde van Goijlant gerequireerde gecondemneert werden te geheugen ende te gedogen, dat die agt schaar beesten elcken huysman in Goylant geconsenteert voor 't voorsz jaar vijf en veertigh gestelt sal worden op ses schaarbeesten ofe tot anderen sulcken fijne ende conlucien als het Hof bevinden soude den requiranten oorbaarlijkste te wesen makende rijsen van kosten schoeden ende intresten Op welcken eyssche van de requiranten de voornoemde van Goylant gerequireerden hadden gedaan dienen van antwoorde, ende bij dier seggen ende allegeren dat bij ons ende onse voorsaten Graven van Hollant, den Goijers ende dien van Naarden, voor seekere dienst gegunt ende gegeven ware geweest tot haarlieder zustentatie seekere landen, Heyden, Hoogten, ende dobben om die gelijkelijk bij hen luijden gebruijkt te werden bij seeker getal van beesten, soo dat sij luijden overeengedragen hadden, deselvige gemeente en Heijden te gebruijken voor elck persoen met agt schaarbeesten agtervolgende welcken, soo hadden die van Naarden ende Goijlanders de voorsz gemeente met agt schaarbeesten gebruijkt gehadt, tot op ten dagh van desen processe sonder dat ijmand hem beklaagt hadde, dat die gemeente te hooge beschaart was geweest 't welck deselve gemeente als noch wel soude kunnen verdragen, soo verre de voorsz. requiranten die uytheemschen ende vreemden niet toe en lieten ofte huerluyden schaaringe niet en verhuerden, als zij dagelijckx deden, niet alleen van heure scharinge, maar ook van den geenen, die sij van den armen gekogt hadden ende alsoo de voornoemde gerequireerden, (als wesende meerder in getal ) wel tevreden waren met de voorsz scharinge van agt beesten, soo behoorden ook de voornoemde requiranten wesende minder in getal ) ook tevreden te sijn met de voorsz scharinge van beesten, sonder dat tot hun lieden voordeel doen mogten contract van den Jare 1404 bij hun luijden boeven geallegeert, welcke meer de de tot voordeele van de gerequireerde , alsoo alle Jaren op Sinte Geertruytendagh schaarmeesteren gestelt wierden, niet om de scharinge te hoogen ofte lagen, daar 't contract niet af en vermelt, maar om bij denselven schaarmeesters de scharen beregt te worden, ende toe te sien datter niemant boeven sijn scharinge de gemeente beschaarde ende te belet-ten (voor soo veel hun is) die verhuyringe van de scharen ende inbrenginge van de vreemdelingen, hoewel bij die voornoemde requiranten dies aengaande dagelickx ter contrarie gedaan wiert, ende aengaande het tweede accoort ofte willecuer van den Jare 1442 ook boeven geroert, seijden de voornoemde gerequireerden dat het voorsz accoort bij ons voorsaten niet geconfirmeert ware geweest, noch en hadde het selve de requiranten niet onderhouden geweest, maar was die scharinge altijt gebleven (als die over twee hondert Jaren geweest hadde) als voor Elck persoen agt scharen, ende in hiel het voorsz tweede accoort dattet niet verandert en soude sijn dan bij gemeene consent van de voornoemde requiranten ende gerequireerden, in welcke veranderinge deselve gerequireerden niet en hadden willen consenteren, noch als noch niet en dagten te consenteren alsoo de gemeente niet te hooge beschaart en was, bij allen welonen redenen en middelen, ende bij meer anderen, van wegen dese voornoemde gerequireerden gealligeert deselve gerequireerden hadden gedaan conteneeren tot niet ontfankelijkheijt ende ende dat de voornoemde requiranten huer lieden versoeck ontseijt soude sijn, makende insgelijks heesch van kosten schaden en interten ende nadien de voornoemde partijen hadden gedaan dienen van replique en duplijsque hinc inde respectivelijk, ende ook van heur luijden titulen ende munimenten onder den voorsz commissarissen, sij hadden den selven commissarissen versogt heur lieder rapport te willen doen, ende voorts hun luijden regt ende justitie geadministreert te worden op heur lieden voorsz productie 't welck rapport daar na gehoort, bij den voornoemde van onsen rade in Hollant, deselve van onsen rade aldaar hadden verklaart dat de voornoemde partijen niet besligt en mogten worden sonder feijten, en dat sij daaromme commissarissen hebben souden de welcke hem informeren ende enquisten doen souden op heur lieden voorsz feijten binnen twee maanden doen eerst koemen de agt vol gens welcken appometemente, deselve partijen hadden hinc inde gedaan maken seekere enqueste ordinaris bij commisarissen van den Hoeve daartoe gedeputeert, ende voorts gedient van reprocken ende zalvatien, ende geconcludeert in regt ende regte begeert in sulcker wijs dat 't proces van partijen naderhant oversulx ende gevisenteert in onsen voorsz rade in Hollant de luijden van denselven onsen Rade, hadden bij henluijden sententie gepromineieert op den 22 dage van September 1546, gecondemneert de voornoemde gerequireerden te geheugen en te gedoogen, dat voor het jaar 1547 die agt schaarbeesten gemoedereert souden sijn, tot ses schaarbeesten voor den geenen wien regt van scharinge competeert in de gemeente in questie, Condemneerden voorts (den selven gerequireerdens in de helfte van de kosten van desen processe heur lieder taxatie ende moderatie, compenserende de andere helfte om redene van) welcke sententie voornoemde Schepenen van Huysen, Hilversum ende Blaricum, soo wel in huer luyder name, als in de name van allen den inwoonders van Goylant voorsz. henluyden bevelende daarbij etc. ( beswaart ende geinteresseert sijn hem gedragen hadden als appelanten aen ons ende aen ons lieven ende getrouwenden precident ende luijden van onsen grooten rade ende daartoe verkregen onse behoorlijke opene brieven uijt geragte van den welcken, sij hadden gedaan dagvaarden den voornoemden van onsen rade in Hollant ede intimeren den voornoemde Schepenen onser stede van Naarden, te koemen ende te compareren tot seekeren verstreken dage in onsen voorsz grooten rade, ende ten voorsz gesetten dage dienende, of ander daar vooren onderhouden compareerdenden de voorsz partijen bij heur lieden procureurs in regten van wegen der voorsz appellatien verhalen de 't inhouden van heur lieder voorsz open letteren van venuen court, hadden verklaart geweest de grieven van heur lieder appellatien, sulcx als hen luijden goet gedagt heeft gehadt, ende bij de redenen ende middelen van heur en 't wegen gealligeert, geconcludeert ten fine dat sij ontfangen worden als appelanten geseijt en verklaart wel geappelleert te hebben, ende voort meer alpertinentelijken in materie van appele, makende eijsch van kosten, waar jegens van wegens den voornoemde geinimeerden geantwoort ware geweest, ende behoudens den sijnen van desertien, ende van niet ontfanckelijk voor antwoorde gesustineert de voorsz sententie van de voornoemden van onsen rade in Hollant waar van geappeleert was als boeven, seggende voorts dat het proses aldaar beleet, was 't proses bij geschrifte, ende dat oversulkx ontfangen oversien ende getermineert behoorde te sijn ex eufdem actis anbene vel male, concluderende voort meer ook al pertinentelijken in materie van appele, makende ins-gelijkx eijsch van kosten, ende de sake gepresenteert sijnde om bij den appellanten in der selver te replicieren, de faut ware gegeven ende verleent geweest de voornoemde geintimeerden ten versoecke van heur lieder procureur tegens den voornoemde appelanten welck defaut deselve appelanten soude moegen pur geren, ende afslaan binnen veertien dagen doen eerst boe-mende, andersints, ende den selven dagh verstreken sijnde 't proses van de voornoemde partijen beleijt in onsen voorsz rade in Hollant, hadde bij den Hoeve van doen ontfaam geweest, als proces bij geschrifte, omme gewesen ende getermineert te worden ex eufdem actis als boeven, ende alsoo de voornoemde appelanten 't voorsz defaut niet gepurgeert en hadden binnen den dagh daartoe geprefigeert, soo hadden de voornoemde geintimeerden heur lieden sack ten Hoeve gedient, ende ons daar naar seer ernstelijken versogt, haar luijden regt en justitie geadministreert te worden op heur lieden voorsz proces, daarom gecompareert sijnde tot meer stonden bij hare procureurs gecommiteerden ende zolliciteurs in onsen voorsz grooten rade, doen te weten, dat ten alder lesten oversien ende gevisenteert in den selven onsen grooten rade 't proces van den voornoemden partijen, ende alle 't geene dat bij dien geblekenis, geconcidireert voorts ende overgewogent gunt dat in desen geconcidireert ende overgewoegen behoorde te sijn ende dat heeft konnen ende mogen moveren Wij met rijpe delibratie van rade hebben geseyt ende verklaart, seggen ende verklaren bij desen onse sententie diffintive ende voor regt, dat wel gewesen is geweest bij den voornoemden van onsen rade in Hollant, ende qualijck geappelleert bij den voornoemden appelanten sal de voorsz sententie waarvan geappelleert is geweest als boeven sorteren haren volkoemen ende geheelen effect ende hebben gecondemneert, ende condemneren denselven appellanten, in de boeten van den frivoolen appel, mitsgaders inde kosten van processe de tauxatie van den selven kosten gereserveert de luijden van onsen grooten rade, ten oirkonde hebben wij onsen zegel hieraen doen hangen, gergeven binnen onsen Stede van Mechelen, den eersten dage van Sebtember in den Jare onses Heeren Duisent Vijf Hondert ende agt en veertigh van onsen Keijserrijke 't negen en 't twintigste, ende van onsen Rijke van Spangien, beijde Cicilien ende andere drie en dertig, bij den Keijser, ter relatie van den rade, was ondertekent Jettus, hebbende een groot zegel in rooden wassen onder aen hangende, met een dubbelde franchijnen staart naar gedane collatie jegens den principalen , soo is dese copije daar mede bevonden te accorderen, actum in Naarden ende tot oirkonde soo is desen bij mij ondertekent op den 6 Novemb. 1705 Cornelis BrouwerNot. Pub.
___________________________________________________________________________
Op Heden den 8 Sebtember 1719 bij mij ondergesz. uijtgecopieert Lambert Rijcksz Lustigh
---------------------------------------------------------------------------
Wat van eenige gealligeerde saken sijn woude het principaal wel sien vertrouwe daar meer in te sullen vinden ______________________________________________________________
RIJKSARCHIEF NOORD HOLLAND (RAH)
KRONIEK LUSTIGH NAARDENToegang 176 inv. nr. 1527 A (214 blz.)
1572 B mapje met een transcriptie van RAH blz. 1 t/m 25
___________________
RAH 17
Voorn. Pieter Gerrits en sijn vrouw tegen die Blaricummer man seijde ........ ______________________
RAH 43
Eerste ... soo ras een (ruut) [runt]beest sieck wort, soo verliest het sijn lust, en het herkauwt [niet] (indt) daardoor te kennen gevende, hoe dat sijn derde penssack of maagen, niet alleen geen geherkauwt hoij of andere ....... wegene sijn opgepropte volheijt hebben wel maar voornaam omdat de selve derde penssacke of maage, sige selve door het pestilentald verder af van drei...., die daarin vierlijxc verhittentvast sit den doorganse toesluijt, soo datter op die tijt, niet meer in noch uijt wil, ende soo lange die maagen van het beest toeblijft, soo en maakt het geen melck meer. Ende het en geeft aan sijn kalf, soo het beest met kalf is, en ooc aan sijn gansche lichaam geen voetsel meer, soo langen (segere), als de maagen toe blijft.
Ten tweede , daar op wort dan het beest huiverigh, en van buijten aan sijn heele lijf ser kouwelijck en de eenige die het heel swaar en serk sieck worden, die rilhoofden van kouwelijckheijt, ende dan soo staart het selve beest te geluijk seer dommelijck dof en treuriges, ende eenige wel een dagh alsoo gestaan hebbende, krijgen de groote schure en sware hitte aan haar geheele lijf.
RAH 51, 52
Placaat 23 Januarij 1714
RAH 53
Eerwaarde broeder welligt sult gij mij bij desen vragen of Ja (int) [niet] eenige koebeesten nadat sij gestorven waren hebben sien openen, ende (oot) [ook] Ja niet bij een nauwkeurige ontleden van alle inwendige en uijtwendige leden en delen van dien daar door ordentlijck en onderscheijdelijck hebben gesien hoe het met deselve beesten van binnen en van buijten gelegen waar en waaraen sij mogten gestorven sijn.
____________________
Eerwaarde broeder, Ja antwoorde hierop Ja, Ja, dogh Ja en hebben het selve niet met hoveerdigheijt ofte met curiusheijt gesien, maar met (Eebiddige) [eerbiedige] nederigheijt en met een verslagen benautheijt mijnes herten, Ja sodaniges dat de vilder der beesten Gerrit Jacob Koemin, een eerlijke en opregt vroom man, die gij mede beneffens mij al van der jeugt af aen hebt gekent, tegens mij seide, (hof) [of] bent gij dus veraltereert en benauwt, gij staat immers boeven de wint, gij en hebt alsoo geen noot om besmet te worden, want het is en (oock) koutweer, dogh hij en wist niet wat bedenkingen dat Ja al hadde (Mts) [etc]
____________________
RAH 57
[ Over veepest 1714, zoals veel stukjes]
RAH 65
[ Over wonderlijk licht]
RAH 83
[Sterke 'Nooderwint 26.02.1714: bomen omgewaaid, schepen in nood]
RAH 87
[ Over runderpest, zoals veel stukjes. Vaak met vermelding van de eigenaar van het vee]
RAH 88
10 Maart 1714 [ 69 gestorven koebeesten in Blaricum, het bekende stukje. Het stond ooit o.a. in TVE, zie ook LUSTPEST.BLR][Ik meen dat ook de brand te Blaricum in 1696 in RAH staat, alleen het bladnr. is onbekend]
_____________________
RAH 89
Ende soo ja wel onderrigt ben, soo isser in den dorpe van Bussum van de winter niet eenen koebeest gestorven, oock niet een op Craloo, oock niet een op Out Naarden, oock niet een op het Nieuwe Huijs, oock niet een op Oud Bussum.
____________________
RAH 91
sijn gelijcen gebleken is, aen een mede koe van Jan Willems Boer en aen een milt beest van Cornelis Lamberts Smit, en aen een milt beest van Lambert Willems Krayer en aen een milt beest van Magteltje Hendrix en aen een milt beest op Oude Naarden en aen meer anderen
_________________
RAH 95
[Over ongezonde stallen, (daardoor) waardoor de besmettinge niet (overleerg) overgaat]
_______________
RAH 96, 97
[Vier uitgehongerde, afgedankte, Duitse Zwitserse huursoldaten gingen van Utrecht naar Amsterdam]
.......... Loenersloot vier Duitsers afgedankte Switsers vanuijt Uijtregt na Amsterdam voort quamen reijsen, die (welde) geen gelt hadden om eten te kopen en grooten honger hebbende en niet wetende waar sij den honger mede stillen souden, soo sien sij aldaar in een ouwe vuijle sloot eenige calmins wortelen staan, welke wat bitter van smaake sijn, en van welke sij oock wat proeven, maar daar bij soo sien sij eenen (disbronte) wortel hebbende de gedaante van een (pinxternabrel), de welke sij oock uijt trekken, en daar van een ijgelijse wat medelende ende alsoo de smaak van dese wortel wat zoutagtiger was, soo aten sij desselve wortel bij stuckens op ende soo ras en hadde sij dese wortel niet opgegeten of één deser 4 personen die wort qualijk en sij met haar vier personen een weijniges voortgegaan sijnde, soo quamen sij bij een Herberge tot Loendersloot, ende doen eijsche dese qualijken man een weijnigje genever, 't welck men aen hem gaf, doch het wert hiermede niet beter, maar erger, waarom dat de lieden aldaar hem tusschen twee mannen gaande aen een huijs van een medicijnmr. bragten welke medicijnmr. aenstonts wat in gaf, dogh dat en holp niet, waarom dat de medicijnmr. hem andermaal wat ingaf en doen raakte hij aen 't braken, waardoor hij het fenijn quyt raakt, ende wederom bij de drie andere personen met de doot te worstelen, want die waren soo van malkanderen uijtbreijden, en alle drie soo haastelijk als samen den doot stierven, voorwaar een vreemde sake en (droohtig) voorval, weijninge diergelijx alhier te lande gebeurt.
_____________________
RAH 98
Op dien selve 22 april 1714 doen is 't dat Jacob Jans Verwer woonagtigh tot Blaricum, aen mij vertelt, hoe dat sijn huijsvrouw Trijntje Jans en met sijne twee zoonen Hendrik en Jonge Jan op een schemeravont in den voorleden Jare 1714, en dat in de herfst, soo als sij in hare nenge waren om boeckweijt te binden, hebben bij haar sien nedervallen een groot viervonckigh ligt, 't welke seer kragtigen vier vonckende op de aarde, waar van sij seer grootelijk verschrickte.Ja op dat selve ogenblik, doen sagen Teunis Fransz mede wonagtigh tot Blaricum staande op de Oombergh dat selve viervonckige ligt bij de voore mensen op aarde leggen voncken. Jacob Jans Verwer als doen al verder aen mij vertelde, hoe dat sijn outste soon Jan, soo als hij in dien selve hert is, indien selve Jare 1713 op een schemeravont in Rijsbergen bij Caliskampwas te melcken, doen heeft gesien een groot viervonckig ligt, hebbende de gedaande van een vierige swaart, 't welke hij sagh een stuck boeven de huijsen van blaricum heen sweven en sweefde alsoo, vandaar na de Buijtendijckse kerk van Eemenes heenen, en alsoo van daar voort na het suijden toe. Voorwaar wonderbare pestilital vier vonckige ligten.Ja Ja vrees voor noch swaarden pestilentie onder vee en menschen.
________________________________________
RAH 99
Soo ist dat wij goijsche regenten van Stad en Lande een resolutie hebben gemaakt, en oock doen publiceren, dat soo wie Vriese koeijen kogt, deselve weeken sal moeten houden buijten ymants schade, ja soo is voorts ten selven Sint Geertruijten dage, bij den selven regenten geresolveert, en weijnige daarna oock gepubliceert dat niemant van buijten Goijlant met siecke koeijen sal moegen drijven over onse gemeentens, op peesi soo wie contrarie doet, die sal verbeuren 50 guld. op dijndagen.
Den 1 Maij doen sag men al wederom uijter Zee , even diergelijk uijtwasemende damp koemen, geleijk op 23 april geschiet was.
Op donderdagh tegen den avont den 10 Maij 1714 doen quam uijt den zuijtwesten een wackere buije regen, en gemengt met eenige donder en blicksem slagen, waar men hoorde seggen, dat de spits van de kerck tot Loendersloot in brant raakte en brande deselve spits oock geheel af.
Op saterdagsmorgen den 19 Maij 1714, doen hebben - Ja, en ons ganschen arbeijts volck met onse oogen gesien, dat niet alleen het aartrijk alhier seer hert bevroren was, maar oock op het water een sterke schaal ijs bevroren lagh.
De sterfte onder 't runtvee die duert op vele plaatsen nogh.
_________________________
RAH 118
17.03.1716 Lustigh naar begrafenis van de zoon van zijn zwager Jacob Gerritsz: 'jongste soon Adriaan die aan de pokken gestorven is te Loosdrecht.
RAH 128
Op 18.09.1692 was er een aardbeving in Nederland, Vlaanderen en Engeland
______________________
RAH 134
In Amersfoort is op 1 Juny 1717 een kind geboren met 4 benen
______________________
RAH 137
[transcriptie F.de G , zie ook drukkerij Visser blz. 13t/m 16]
"Omtrent den Jare 1646 doen is het alhier in den dorpe Huijsen gebeurt, hoe dat Geertje Melsen, de huijsvrouw van Jan Jaap Jongerden, op eenen dagh, soo als haar voorz. man om plaggen te halen in 't veldt was. Barensnood overquam en terwijl sij niemant bij haar hadde soo quam daar ter selve tijt een schamele vrouw, met een mantje aen de arm om een aelmoes aen de deur bedelen, aen de welcke sij versogt dat sij eenige Bueren mogt inhalen om haar te helpen dat sij Barensnoot hadde, de schamele vrouw segt tegens haar, dat sij haar wel helpen konde, sij komt in huijs. sij helpt haar, sij baart een kint, sij helpt de kraamvrouw te bedt, sij bakert het kint, sij wint het in doeken, sij gaater stilletjes mee heen, de voornoemde man komt met de wagen thuijs, hij vint sijn vrouw in 't kraambedde leggen, hij vraagt naar 't kint, sijn voornoemde vrouw, verhaalt de vorenstaande sake, de arme vrouw was met het kint wegh, men sogt de arme vrouw met het gestolen kint eenige dagen met paarden, men vont niet, dese sake hebbe ick ser dickwijls mijne ouders en andere luijden die het beleeft hadden hooren zeggen.Omtrent den Jare 1710 doen was Rut Lamberts Doorn aen de Tol acker en willende van daar gaan, soo vraagt een out schamel mannetje aen hen waar na toe, hij segt na Huijsen, wel segt het oude mannetje, ik ben een Huijser van geboorte, maar ik ben een gestoelen kint, waar op de voorz. Rut Doorn seijde kom ga mee ik houwe u geselschap, hij segt ik ken geen vrient of maagt ik ga niet mee, Rut Doorn segt hoe weet gij dat, dat gij een gestoelen kint bent, hij segt dat sijn genaamde moeder te Middelborgh in Zeelant op haar sterfbedde leggende niet kon sterven voor dat sij aen hem hadde gesegt, dat hij tot Huijsen geboren was, en sij hem daar gestoelen hadde.Rut Doorn thuijs gekoemen sijnde ende noijt van een soo gestoelen kint gehoort hebbende, vertelde dit aen mij, en aen andere oude luijden, die alle seer wel van dese geboorte en van dit gestoelen kint wisten. Ja Lubbert Jacobsz, Peetje Lamberts, en Bijtje Willemse alle in de 80 Jaren out weten grondig van dit gestoelen kint te spreken, want het in haar jonge Jaren voorgevallen is".
"Ja, de voornoemde Jan Jaap Jongerden en Geertje Melsen hebbe ik wel gekent, ja in den Jare 1672 doen wierd dese Jan Jongerden in onse weijde, in de Haart, van sijn varre seer jammerlijck gestoeken, waarom wij sijn varre met roors doot schoeten, dat hij bolleckte, en liep noch voor de stal, en viel dar doot.Ja, omtrent den Jare 1630, doen raakte dese Jan Jongerden nogh jongelingh sijnde met een andere jongelingh die hals en hoofd grooter was als hij questij en hij gaf sijn partij een kleijnen snee agter in de pijp van sijn arm, en alsoo de maan daar in was, stierf sijn partij daar aen, hij vlugtede tot Bunschoten, het wiert versoent. Hij trouwde van daar de voorzeide Geertje Melsen, alwaar, sijn Zoons Zoon en Dogter, Klaas, Klaasje, noch vrienden hebbende van haar grootmoeders wegen".
_________________________
RAH 138
Noch is waar dat Ebbe Klaasz van Blaricum in den Jare 1700 aen mij vertelt heeft, dat aen hem van overmeer dan 50 Jaren geleden verhaalt heeft Matje Everts de huijsvrouw van Kleijn Lambert tot Blaricum, dat sij in haar jonge Jaren met har oogen hadde gesien dat seeven gooische wagens met (heet) geladen uijt Gelderlant quamen, het Kleijne Hoevense Heck uijt, welke (heet) de boeren onder haar hoij leijden, en 't winters branden.
Buijten 'twijfel doen ter tijt, de mont van de rivier de Eem soo nauw sijnde dat men doen een brugge daarover kon leggen.
______________________
RAH 150
19.04.1714'vermaarde dief Jacob Vrederic Muller alias Sjakoo' [Over deze dief is ook in andere bronnen veel geschreven]
_____________________
RAH 151, 152 [Zie Criminele Rol]
Dirk Jansen Spilt 31 jaar ... gestolen (huuden) [huiden] uit een ton bij Gerrit Koeminnen en verkocht in Baarn - ook bij Heeren Huijs van Hinlopen .....opgesloten in het JAN DUIJMEN GAT[zie de Criminele Rol van Naarden]
RAH 151, 152
[ transcriptie F. de G. zie ook drukkerij Visser blz. 16 en 17]
"Op Donderdag den 4 Augustus 1718 doen wiert Dirck Jansen Spilt out omtrent 31 Jaren, en noch jonghman, en hier wonagtigh sijnde door onse schout L. Keelwigh, geassisteert met onse dienaar Joost Vree: bij 't heck van Goosen Reijrz soo hij stont en dijcktegeapprehendeert [gegrepen], ende gebonden als een dief tot onse schouten gebragt, ende quam daar voort Gerardus Gansneb, genaamt Tingnagel Schout van Naarden, de welcke hem gevangen in presentie van twee onser schepenen afvraagde, of hij vier huijden uijt de ton bij Gerrit Koeminnen niet hadde gestoelen en tot Baarn verkogt etc.: waar op hij seijde ja, ende of hij niet een groot bleeck kleeren tot Schravelant gestoelen hadde, en wat daar van wederom hadde gebragt etc.; waar op hij seijde, ja, ende of hij niet omtrent den bergh in 't Heeren Huijs van Hinlopen veel goedt gestoelen hadde, en door een swaar dreijgement van te vangen, het selve niet hadde weten stilletjes te laten weerom brengen, ende na dat hij dese drie diefstallen hadde bekent, soo wiert hij met twee dienders bij hem op de wagen van Gerrit Hendr. Boom op den Stadt huijse tot Naarden in de gijselkamer gevangen gebragt, ende na dat hij daar omtrent een weeck hadde geseten, en niet meer woude klappen, doen wiert hij aldaar in Jan Duijmen gat geset ende terwijl hij daar in sat liep onse schout geweldigh bij dese of gene om hem te laten verswaren, ende wiert door eenen Gerrit Duijm van Blaricum, en van een ketelbouter van Eemnes merckelijk beswaart, ende nadien hij noch eenige dieverijen meer hadde beleden, soo in Waterlant met het steelen van een bleeck kleeren, en een vaatje haringh uijt een man sijn schuijt gestoelen, ende alhier tweemaal appelen en peeren uijt de tuijn van Jacob Brantz gestoelen, soo wiert hij na drie weecken geseten te hebben in Jan Duijmen gat daar uijt gelaten en in de voorz. gijselkamer geset, ende nadien sijn nabestaande vrienden noch wat bij schepenen voor hem spraken, soo wiert sijn vonnis bij schepenen van Naarden genadelijk op 31 Augustus 1718 te boeck geset. Ende nadien alle ordinantiën bij de schout van Naarden gestelt en gereguleert was, om den voorz. gevangene te Exicuteren.
Soo is, op Donderdagh den 8 September den voorz. gevangene publijk in den Stadthuijse voor de gespanne vierschaar sijn belijdenis en sententie in 't aanhoren van een menigte toehoorders, hem voorgelesen welcke ontrent aldus luijt.Hoe hij ontrent 31 Jaren out was, ende hoe hij alle de voormelde dieverijen hadde gedaan etc. ; ende hoe hierom publijk op 't schavot moest worden gegeeselt en gebrantmerckt, ende wiert daar en boeven voor de tijt van 20 Jaren uijt de lande van Hollant en Westvrieslant gebannen.Ende is daarop, soo aenstonts door de Beul sijn knegt van Haarlem op het schavot ontrent 40 slagen gegeeselt en ligt gebrantmerckt, ende los gemaakt sijnde en een weijnigh binnen den Stadthuijse geweest sijnde wiert op het Stadthuijs klockgeluijt, ende hier op wiert hij door Jan Boelhouwer stadsdienaar van Naarden ter stadspoorten uijtgeleijt".
______________________
RAH 163
14.04.1719 : Drenkelingen aan de kust gevonden door een Huizer herdersjongen, die met schapen langs de kust van Muiderberg naar Huizen ging.
_________________
RAH 163 [Tussen de bladzijden zit een los beschreven blad met oude tekst en een kalenderblaadje van zaterdag 8 Juli. Waarschijnlijk een kalenderblaadje van Frederik Schram uit ca. 1900]
_________________
RAH 167, 168[Over het bekende verhaal van het afgezette been van de Schout van Blaricum]
RAH 173Item Maria Klaas de Swarts een gewesen schoutten dogter alhier wonagtigh en out 86 jaren .......
mede wacker in 't danssen en springen was, soo viel een groote vonck viers uijt haren toebackpijp in haar bossem, en sij dat gwaar wordende, en niet willende weten dat het ymant sagh / soo wrongh sij het selve met haar handen op haren naakten borst uijt welk litteken daar van behoudende, sij op gister den 29 Oct. deses Jaars 1719 sijnde ruijm soo groot als een dubbele stuijver, aen mij eerwaarlijk vertoont heeft, en doch de voorn. Jan Meijnz die kogt wel wederom de buijten (duise ...) [dijkse ?) koornmoelen op Emenes maar het vergingh hem daar niet wel, en stierf aldaar
____________________
RAH 177
( transcriptie F. de G. - zie ook drukkerij Visser blz. 71)
[ 26.11.1719 : Over de drooggevallen zeebodem bij Oud Naarden]
'Op Sondagh den 26 Nov. deses Jaars 1719 doen was het met een Zuijtwestenwint seer laagen water
"Op Sondagh den 26 November 1719 doen was het den geheelen dagh met een stercke Zuijtwesten wint seer laagh water, ende alsoo ik het op den middagh wel wist, soo was het op d namiddagh na de leste predikatie, dat ick uijt verlusstinge op zeestrant bij Eevenkamp ging kijken hoe laag het water wel was, en of ik van daar gelijck voormaals de oude puijn en steenhopen van out Naardinc wel soude sien, ende daar gekoemen sijnde doen sagh ik de vboornoemde plaats van verre droogh leggen en de Jan Harmens de Vries die hadde mijn na see toe sien gaan en die quam op den hoeck van den Wolfskamerdijck met Klaasoom bij mij. Klaas woude na sijn schuit toe gaan die droogh lagh waarom ick tegen jan de Vries seijde kom laat ons oock een stuck megaan ende een stuck voort gegaan sijnde seijde ik tegen Jan de Vries, laat ons eens op de plaat Out Naerdinc gaan, dan kont gij altijt noch seggen, dat gij met mijn op die plaats geweest hebt, hij ging een stuck weegs met twee jonges bij ons, na de voorz. plaats teo, maar siende, dat noch twee jongelingen van haar botpleijten afgingenb, mede naar de voorz. plaats toe ende siende dat die twee jongelingen doen die nabij onse veerschepen quamen met haare leersen aen, in een gat, ter halverbeens doorgingen ende wij met onse kousen en schoenen watren, soo dorst hij niet verder, ende alhoewel ik aen hem seijde, dat is 't gat voor desen een schip ingeseten heeft gaat maar voort ik sal uw wel geleijden dat wij droogvoets sullen koemen, hij keerdfe met de twee jonges wederom, ende ick ging voort en quam op de plaats out Naerdinc, ende nadat ik een weijnigje op die plaats geweest was, daar ik over ruijm selven jaren kerckeleijden gevonden geraapt en van daar thuijs gebragt hadde, soo quamen de voorz. twee jongelingen genaamt Jacob Lubberts Baas en Pieter Jacobsz ende doen voort nocht eenen Swaninck Tijmonz aldaar bij mij tegen dewelcke ick seijde sie daar heeft de kercke gestaan ende daar heeft den ringh van den kerckmuur gestaan, gelijck gij hare hoeck keijsteenen noch kunt sien ende in dese rijngh van 't kerckhof leijt den koperen rooster, daar deese en geene soo menighmaal aangeweest hebben, ende wij hadden niet alleen geen van allen eijts bij ons, om daar meede den rooster te soecken maar den avont daar wesende, ende het water voor bij en onse voeten koemende, en oock siende met magt het selve aenkoemende soo kon ik aen dese voorz. drie personen niet meer doen als eenige grooten steenen en neergeslagen boomen aen te wijsen, hierop vertrocken wij aenstonts wederom sijlieden na hare botpleijten en ik na lant toe, middeleer wijle sagh ick dat den gront van Out Naerdinc tot aan de thuijn van nu out Naarden doorgaans wat hooger is als aen beijde sijden is.
RAH 178 vervolg RAH 177 ( staat niet in 'Visser')
De namen van dese jongelingen waren Jacob Lubbertsz Baas de jonge, PIETER JACOBSZ GOIJER en Swanink Tijmensz, tegen de welke Ja seijde 'zie daar' heeft de (Keven ?) [Kerck] gestaan. Zie daar van dat ribbetje met Leijden [leien ?] daar hebben Ja over ruijm seven Jaren leijen van 't huijs gebragt. Zie daar in dien kerckmuurringen daar leijt een koperen kerckrooster in worts. Soo wees ja aen haar noch eenige omgeslagen boomen op welke sij liepen ende alsoo midderwijl de wint stildegen na westen liep, en het aenkoomende water onder onse voeten quam, ende het begon doncker te worden, soo konden wij op die plaats, met voordeel niet meer doen, waarom sij na haar botpleijten gingen en ja na lant, ende soo quam ik nogh met koussen en schoenen droogh voets te lande, ende in 't ....
Onbekend geschrift Lustgh (Drukkerij Visser blz. 72)
Naarden, in den jaere 1223 genaemt Nardinc, ende in den jaere 1280 genaemt Nerdinc ende in den jaere 1296 genaemt Narden, die stadt die plagt te staen ontrent 200 roeden van de Clooster kercke tot Wijnsum, dat nu Oudennaerden genaemt wordt, zeewaerts in. Die stadt out Nardinc, die noch op heeden in sijne fondamenteele gronden, met seer groote steenen ende nauwe steenstraeten, ende met haere omgeslagen boomen, en met haere andere minerale en raere grontwercken, als van een gegoeten metalen kerckrooster leggende op de oostzijde van de voorsegde stad, daar haere kercke gestaen heeft, gelijck ik, met mijn jongste soon Adriaan bij seer laagen warter op den 12 October 1712 voor het meerendeels hebbe gesien, ende noch kerk-leijden van daer naer huijs gebragt. Voor een eeuwige memorie bij mij onderschreeven en opgestelt in 't jaar 1718, Lambert Rijksz Lustigh.
_______________________
RAH 179 ( transcriptie F. de G.- zie ook Drukkerij Visser 27 t/m 30)
Anno 1719 op vrijdagmorgen 29 December ontrent de klocke drie uren. Doen ontstont in een huijs van onse jegenwoordige Schout Lambert J. Keelwigh, te weten het huijs gekoemen van Hansje Fijtissen, eene verschrickelijke en erbarmelijke brant, ende dat met een strege zuijtwesten koude en vriesende wint soodanigh dat men niet anders dagt, ofte het beste en meeste van ons schoone en welvarenste dorp, ende met al datter in was soude verbranden, dogh op het klocke geklep, slaande op eene kant, gelijk men in soodanige droevige gevallen alhier gewoon is, den brantklock te doen kleppen, soo quamen het meesten deel van onse ingesetenen ende ook onse precident Buijrmr. Jacob Cornelisz Keelwigh, niet alleen bij het voornoemde brandende huijs te voorschijn, maar soo door het wacker commanderen van de voornoemde Jaap Ceesen als door eenig jongelingen te weten Lambert Ebben Koij, Jacob Lubbertz Baas, Jan Harmensz en andere meer, die als getrouwe helden op 't voorhuijs van Jannetje Tijmons Witten met leeren klommen, enmde door anderen jongelingen, ende vigilante maagden aen haar een krachtigh water toe bragten waar mede de jongelingen die op het gemelde huijs waren soo sterck het dack en voormeur ende deuren en vensteren, met water goeten, ende het juijst op die tijt, terwijlhet voormelde huijs afbrande, seer hart vroer, dat het water op dat huijs van Jannetje bevroor ende alschoon die voormelden jongelingen, hare klederen aen hare lijven versengden ende hare aengesigten, en hare oogen, door het brandende veur, van 't brandende huijs, seer schadeloos wierden, soo hielden sij noch alle het volck niet op met water te gieten, ende met zand te goijen tot het voorz. brandende huijs geheel tot polver verbrant was, ja terwijl het voorz. huijs soo vel brande, soo vloegh den rook van ons dorp heen maar verscheijdene brandende stroo, en riet dotten, die vloegen en vielen oock op eenige huijsen ende lagen daer op te verbranden eenige tijt tot dat sij uijt gingen, 't welck alle met schreijende oogen aenschouwt wierde, ja indien op die selve tijt op onse huijsen niet een weijnigh bevroeren sneeuw was geweest, ter dickte van ontrent een stroobreet ende soo hart op die tijt niet hadt gevroren, gelijck voorseijt is, soo soude sekerlijken, menschelijker wijse te spreken, het meeste en beste van 't dorp verbrant hebben, dogh de Heere sij van ons gelooft, gedankt, geEert en Hoogelijk gepresen, dat hij noch niet in sijn toorn heeft geremieert, maar ons noch in sijne barmhertigheijt ontfermt heeft, ja in het selve voorz. afgebrande huijs, daar sijn niet alleen in verbrant ontrent 100 mudde, soo gedorste als ongedorste rogge en boeckweijt van onse schout, maar daar is ook in verbrant alle het linnen, wollen, beddebolster, kast, weefgetouw, ende allerhande huijsraat van Lambert Gerritz Swem, van sijn vrouw Peetje elberts, en van sijn soon Gerrit L. Swem. Welcke personen in dit huijs woonden, ende ternauwernoot bijna naakt uijt dat huijs quamen, ende alsoo het voornoemde Lambert Swem mijn na neef, noch eerst gewaar wierde, van datter in 't agterhuijs brant was, soo weckte hij sijn soon, sijn vrouw, ende Jannetje Goossens met haar dogter Hijntje, die in de kamer woonden, op welcke ter nauwernoot haar kasken en meubeljes, daar uijt kreegh, vervolgens soo gingh Lambert Swem met sijn siecke lijf noch, en klopte de voorgemelde Jannetje Witten, met alle die daar woonden, op, voorts liep de soon van Gerrit Swem na de klock, ende de koster opgeweckt hebbende roerde en klepte hij den brantklock Etc.Hoe het voornoemde huijs in brant is geraakt weet ik noch niet, de Heer onse Godt die het weet, ik sal het wel noijt weten, altijt daar vallen bij ons menschen veele discoursen over, want den eenen zustineert zus, ende den ander soo. Dogh van drie een is seecker, namentlijk, door een brantstigter, of door onversigtigheijt, onnoselheijt of onwetentheijt van Lambert Swem, zoon of vrouw, ofte door den jongen hont, die daar in verbrant is, dat die met sijn haijrbrandende lijf, bij den roggemijt is gekropen daar hij doot lagh, altijt soo schijnt de brant aen den roggemijt aengekoemen te sijn.
___________________________
RAH 181Juni 1696 Brand bij de smid in Huizen [bekend verhaal]
RAH 181Maand april 1677 brand in huisje. [hierin staat ook de zin:] 'is ook één van degenen die ook op den metalen rooster, die noch leit op de plaats daar out Naerden gestaan heeft' _________________
RAH 18511.01.1711 Acht personen op het ijs [bekend ???]
___________________
RAH 18606.01.1709 om 7 uur (begon) en seer stercken oosten houdende regen. ____________________
RAH 193
In de Jare 1646 dat in 't laast van de somer doen gaat Peter Keesen hebbende in huwelijk Jaapje Cornelis, de moeder van Gijsbert Jansz Lustigh, welke mijn vaders meutje was, met een emmer uijt melcken, hebbende een sackje met hoij bij hem, om het selve sijne koeijen te eten te geven, alsoo de koeijen dagelijckx honger leden op de gemeente, ende koemende in Rijsebergen nabij Kaliskamp geeft sijne koeijen het hoij en krijgt middelereijle een hertevanck, en blijft daar doot leggen, bij in 't huijs koemende vont men hem aldaar doot leggen, ende eenige steentjes bij hem, en één in sijn hant, en de leege emmer bij hem, 't welk een teeken was, dat hij andere koeijen van sijn hoij woude keeren, terwijl het sijne opaten - 't was mijn vaders neef Gijsbert Jansz Lustigh, sijn (stiegvader) [stiefvader], dese Peter Ceesen die alsoo aldaar doot bleef, hij woonde en hoorde doen het huijs, daar nu in woont en toebehoort Lambert Pietersz, staande dit huijs en kampje annex, aen de noortsij van Lambert Lambertsz Prins, actumm dit bij mij geschreven den 21 maart 1720, Lambert Rijcksz Lustigh out 63 Jaren, elf maanden en vijff dagen.
[niet duidelijk of Lustigh koijen of koeijen schrijft]
__________________
RAH 193 [TVE ]
17 Maart de koe van Jacob Melse Boor door de smid van Blaricum , Jacob de smid ..... teruggedaan
[staat in TVE jrg. ?]
___________________
RAH 194
Gaat over wolven. In de tekst staat ook WEERWOLF. ________________________
RAH 195
Ick ben door Last van dieop Venusbergh verheven[Met een getekend wapenschild]
__________________
I I I A is een soort boompje
I A I Z I Z is een zwaantjeI
________I_______
II I II Z I A II
________I_______I
_____________________
RAH 196 29.08.1720 :
De 19 jarige zoon van Jaap Heijn de Boer heeft zijn verstand verloren ____________________
RAH 197
23 en 24 Aug. 1720 werd Jan Gerritsz Backer in Huizen opgepakt en opgesloten in het JAN DUIJMENGAT
___________________
RAH 199
Schepenen van Naarden .... enz ... 'toegestaan om den persoon van Jan Gerritsz Backer alias Jan Goossen, die drie dagen van te voren uijtgebroken was, wederom bij klocke geslagen na te dasgen, ten eijnde om wederom op den Stadhuijse in gevangenisse te koemen om aen te Hooven den Criminele Eijsen en conclus. die ten dage dienende tegen hem sal werden gedaan en genoomen ............ enz ....
_______________
RAH 202
18 op 19 oct. 1720 Hilversummer Maat overstroomt, 7 paarden zwemmen naar het droge
____________________
RAH 203
Op den 13 Nov. des Jaars 1721 doen was een man tot Laren door Zatans aenradinge soo stout dat hij sijn Huijsvrouw met rottekruijt vergeeft, dat sij daaraan sterft hetwelk aldus als volgt heeft toegedragen, hij hadde ontrent 8 Jaren met dese sijne Egtevrouwe getrout geweest, ende sij en kreegen geen kinderen, waarom hij alte met geen goet huijs met haar houde , ender een ander liever kreegh dan haar, soo dat hij bij Hoeren en Sloeren liep en hoeree5rde voornaam met een bejaarde Vrijster, die doen inwoonde bij een vrouw die van haar man was, welke vrijster of Hoer, dit boose stuck te doen, oock aen hem geraden hadde ontrent 7 weeken te voeren eer hij sijn vrouw met rottekruijt vergeeft, soo hadde, hij hadde alhier tot Huijsen ten Huyse van Jannetje Klaas weduw van Ebbe Willemsz Koij voor seven stuvers aen rottekruijt gekogt. Ja alvoorens (een) [dat] hij van dit rottekruijt haar ingaf, soo hadde hij haar al meer als eenmaal haar met een braanappel kleijn gebrocken spelden en naalden ingekregen, maar hierdoor tot sijn voornemen met (koemen) koemen, soo ist dat op 10 nov. 1720 des avonds sijn vrouw éen potje Zumelck gekookt hadde, hij sijn boose aenslage waar nam, ende dede wat rottekruijt in haar potje met Zumelck, ende nadien sijn vrouw ontrent vier lepels vol hiervan gegeten hadde, soo wiert sij ser qualijk, ende settede het potje met zumelck voort neer en begon te braken en van agteren wel veel dreck quijt te worden, maar dat en bevrijde haar niet van de kragt dat verderf, soo dat sij buijten haar verstant raakte ende stierf aen dit verderf op Woensdag den 13 Nov. sijnde bededagen, hij en die vrouw die van haar man is, dit al samen wel wetende, soo gingh hij dese vrouw die van haar man af is, klederen ende gelt geven, sij moest beloven en soude swijgen, maar nadien dit feit ontrent weecken was verleden, soo verweet sij hem dat in sijn (Eenge ?) sigt daar meer menschen bij waren, waardoor alles het voorz. en noch meer van dese Zaak in 't openbaar quamen, waarom hij hemselven voort verbergde, 't n daarop is gaen vlugten, soo dat men jegenwoordig niet en weet waar hij is.
RAH 204
Deze man, die dit boose stuck aen sijn vrouw gedaan heeft is genaamt Kornelis Pietersen alias Pieter Beessens Kees ende sijn vrouw was genaamt Botje Klaas, sijnde beide Larens van afkomst.
____________________
RAH 208
Maart 1721 landlopers in Weesp
Opmerking:Sommige letters zijn niet altijd duidelijk. Daarom de door mij veronderstelde tekst aangegeven als [tekst], en de overgenomen tekst als (tekst). Moeilijk of niet te ontcijferen tekst .....
Bovenstaande " fo. 35 t/m 42 F '' staat ook in Verslag OMTRENT DEN OORSPRONG EN DEN AARD DER GEBRUIKREGTEN OP DE HEIDEN EN WEIDEN IN GOOILAND blz. 45 en 46 . Door A. Perk uitgegeven TE ARNHEM, bij Is. An. Nijhoff 1842
------------------------------
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl
gooijerfjj@hotmail.com
_________________________________

Stad & Lande
fo. 35 t/m 42 F 2 (1)
Kaerle, bij de gratie Gods, gekozen Rooms Koninck toekomende Keijser altijt vermeerder des Rijckx, Koninck van Kastilien van Leon van Grenada, van Arragon, van Navarre, van beijde Cicilien, van Jerusalem, van Valence, van Majorequi, van Sardens, van Corsica en .... Hertoege van Oostenrijk, Hertoege van Bougonge, van Lotharingen, van Brabant, van Lembourch en van Gelre, Grave van Vlaenderen, van Artoys, van Bourgpingne, van Henegauwe, van Hollant, van Zeland, van Namen en van Zutphen, Marcgrave des Heylicx Rijcx, heer van Vrielant, van Salyns, ende van Machelen,
Alsoo die Burgemeesteren , Schepenen ende Regeerders onser stede van Naerden over ende in de name van de gemeene ingesetenen aldaare bij see-keren hen luyden supplicatie gepresenteert in onsen Rade in Hollant, op den 20 dagh Maart van den Jare 1544 aldaaer vertoont ende te kennen gegeven hadden, hoe dat in Goylant gelegen waren seekere landen, genoemt die gemeenten, die bij die van Naerden ende andere inwoonders van Goylant gebruykt waren, bij scharingen, ende alsoo voortijts seekere questie tusschen den gebruykers gevallen waren, soo hadden die voorsaten van die zupplianten ende die van de dorpen van Goylant in den jare 1404 gemaakt seeker accoort selve onder anderen inhoudende, dat die van Naarden alle Jaren op Sinte Geertruy ten dagh of agt dagen daarte voeren van heur Stede boesen souden vier goede mannen, ende van gelijen de vier Burgemeesteren van Goijlant uijt de dorpen van Laren en Huijsen ook vier goede mannen, nut en bequaam sijnde, om te wesen Schaarmeesters der voorsz gemeente, die alle Jaren bij heuren Eede op ten voorsz Sinte Geertruijten dagh souden doen de voorsz scharinge sulcx dat die beesten wel gevoet mogten werden, in soo verren sulce schaarmeesters met inhouden accorderen souden die van Naarden, eerste Jaar die scharinge setten ende die van Goijlant ander Jaar, ende so verre dan weder geschil viele, weder contract bij wijlen zaliger memorie aelbregt van beijren grave van Hollant geconfirmeert ware geweest, dat daar naar te weten in den Jare 1442, bij consente van de Burgemr., schepenen en Regeerders onser voorsz. stede van Naerden, ende van die van de dorpen van Goylant seekere willekeuren waren gemaakt geweest, inhoudende dat elck persoen die regt hadde tot de voorsz. scharinge, voor den tijt van 75 jaren doen eerst koemende, stellen soude agt schaarbeesten, 't wecke sulckx ware onderhouden geweest, maar alsoo binnen middelen tijde 't lant seer gepopuleert ende menigvuldiger geworden was sulckx dat indien deselve willekeur (die ook lange geexpireert was, noch onderhouden ware de voorsz gemeente geschapen was te niet te gaan, alsoo sij niet magtigh en waren, die menigvuldigheijt der beesten te voeden 't welck aengemerckt, ende ten eijnde daar inne bequaamen regel gestelt worde soo hadden de voorsz zup-plianten, aen den voorsz van Goijlant versogt, om eene nieuwe scharinge tot minder getal te setten, maar want 't selve van Goijlant tot geene redelijckheijt verstaan en wilden hadden de voornoemde Zupplianten tot prophijte van de gemeente volgens 't voorsz contract op Sinte Geertruijten dagh anno 1544 voorsz deselve scharinge vermindere, ende gemoedereert van agt schaarbeesten, tot sesse, ende howel de voornoemde Zupplianten 't selve doende niet en hadden geexcedeert voorsz geconfirmeerde accoort, maar gemeenlants oirbaar ende prophijt gedaan des nochtans niet tegenstaande de voornoemde van Goijlant en hadden hen daar naar niet willen reguleren, als waarom de voornoemde Zupplianten genootsaakt hadden geweest 't selve te kennen te geven, den voorsz van onsen rade in Hollant aldaar sij op heuren te kennen geven verkregen hadden schere besloeten letteren aen den Burgermeesters en regeerders van de dorpen van Laren, Hilversum, Blaricum ende Huijsen, den welcken hen Luijden bij den selven letteren van onsent wegen bevoelen was te koemen en te compaeren op den 10 dagh van april Anno 1545 voor seekeren onsen raden, die sij daartoe deputeren ende admitteren souden, de welcke hen luijden met den voornoemde zupplianten hooren souden op het inhouden van den voorsz requeste, ende den voornoemde partijen vereenigen, soo verre den luijden doenlijc ware, indien niet alles rapport te doen, omme voorts bij den voornoemde van onsen rade in Hollant, daarop geappometeert te werden soo dat behoren soude, ende ten voorsz gesetten dage diendende ofe anderen dar voeren onderhouden, compareerden de voorsz partijen voor meesters Cornelis Zuijs ende Arnout Sasbout onsen rade ordinarissen in Hollant commissarissen daarop gedeputeert vanwegen der voornoemde requiranten, emploijerende heur luijden voorsz questie voor haren heesch, waar bij de redenen, ende de middelen in der selven requeste begrepen, en bij meer anderen van heuren wegen gealligeert geconcludeert geweest, ten fine die voornoemde van Goijlant gerequireerde gecondemneert werden te geheugen ende te gedogen, dat die agt schaar beesten elcken huysman in Goylant geconsenteert voor 't voorsz jaar vijf en veertigh gestelt sal worden op ses schaarbeesten ofe tot anderen sulcken fijne ende conlucien als het Hof bevinden soude den requiranten oorbaarlijkste te wesen makende rijsen van kosten schoeden ende intresten Op welcken eyssche van de requiranten de voornoemde van Goylant gerequireerden hadden gedaan dienen van antwoorde, ende bij dier seggen ende allegeren dat bij ons ende onse voorsaten Graven van Hollant, den Goijers ende dien van Naarden, voor seekere dienst gegunt ende gegeven ware geweest tot haarlieder zustentatie seekere landen, Heyden, Hoogten, ende dobben om die gelijkelijk bij hen luijden gebruijkt te werden bij seeker getal van beesten, soo dat sij luijden overeengedragen hadden, deselvige gemeente en Heijden te gebruijken voor elck persoen met agt schaarbeesten agtervolgende welcken, soo hadden die van Naarden ende Goijlanders de voorsz gemeente met agt schaarbeesten gebruijkt gehadt, tot op ten dagh van desen processe sonder dat ijmand hem beklaagt hadde, dat die gemeente te hooge beschaart was geweest 't welck deselve gemeente als noch wel soude kunnen verdragen, soo verre de voorsz. requiranten die uytheemschen ende vreemden niet toe en lieten ofte huerluyden schaaringe niet en verhuerden, als zij dagelijckx deden, niet alleen van heure scharinge, maar ook van den geenen, die sij van den armen gekogt hadden ende alsoo de voornoemde gerequireerden, (als wesende meerder in getal ) wel tevreden waren met de voorsz scharinge van agt beesten, soo behoorden ook de voornoemde requiranten wesende minder in getal ) ook tevreden te sijn met de voorsz scharinge van beesten, sonder dat tot hun lieden voordeel doen mogten contract van den Jare 1404 bij hun luijden boeven geallegeert, welcke meer de de tot voordeele van de gerequireerde , alsoo alle Jaren op Sinte Geertruytendagh schaarmeesteren gestelt wierden, niet om de scharinge te hoogen ofte lagen, daar 't contract niet af en vermelt, maar om bij denselven schaarmeesters de scharen beregt te worden, ende toe te sien datter niemant boeven sijn scharinge de gemeente beschaarde ende te belet-ten (voor soo veel hun is) die verhuyringe van de scharen ende inbrenginge van de vreemdelingen, hoewel bij die voornoemde requiranten dies aengaande dagelickx ter contrarie gedaan wiert, ende aengaande het tweede accoort ofte willecuer van den Jare 1442 ook boeven geroert, seijden de voornoemde gerequireerden dat het voorsz accoort bij ons voorsaten niet geconfirmeert ware geweest, noch en hadde het selve de requiranten niet onderhouden geweest, maar was die scharinge altijt gebleven (als die over twee hondert Jaren geweest hadde) als voor Elck persoen agt scharen, ende in hiel het voorsz tweede accoort dattet niet verandert en soude sijn dan bij gemeene consent van de voornoemde requiranten ende gerequireerden, in welcke veranderinge deselve gerequireerden niet en hadden willen consenteren, noch als noch niet en dagten te consenteren alsoo de gemeente niet te hooge beschaart en was, bij allen welonen redenen en middelen, ende bij meer anderen, van wegen dese voornoemde gerequireerden gealligeert deselve gerequireerden hadden gedaan conteneeren tot niet ontfankelijkheijt ende ende dat de voornoemde requiranten huer lieden versoeck ontseijt soude sijn, makende insgelijks heesch van kosten schaden en interten ende nadien de voornoemde partijen hadden gedaan dienen van replique en duplijsque hinc inde respectivelijk, ende ook van heur luijden titulen ende munimenten onder den voorsz commissarissen, sij hadden den selven commissarissen versogt heur lieder rapport te willen doen, ende voorts hun luijden regt ende justitie geadministreert te worden op heur lieden voorsz productie 't welck rapport daar na gehoort, bij den voornoemde van onsen rade in Hollant, deselve van onsen rade aldaar hadden verklaart dat de voornoemde partijen niet besligt en mogten worden sonder feijten, en dat sij daaromme commissarissen hebben souden de welcke hem informeren ende enquisten doen souden op heur lieden voorsz feijten binnen twee maanden doen eerst koemen de agt vol gens welcken appometemente, deselve partijen hadden hinc inde gedaan maken seekere enqueste ordinaris bij commisarissen van den Hoeve daartoe gedeputeert, ende voorts gedient van reprocken ende zalvatien, ende geconcludeert in regt ende regte begeert in sulcker wijs dat 't proces van partijen naderhant oversulx ende gevisenteert in onsen voorsz rade in Hollant de luijden van denselven onsen Rade, hadden bij henluijden sententie gepromineieert op den 22 dage van September 1546, gecondemneert de voornoemde gerequireerden te geheugen en te gedoogen, dat voor het jaar 1547 die agt schaarbeesten gemoedereert souden sijn, tot ses schaarbeesten voor den geenen wien regt van scharinge competeert in de gemeente in questie, Condemneerden voorts (den selven gerequireerdens in de helfte van de kosten van desen processe heur lieder taxatie ende moderatie, compenserende de andere helfte om redene van) welcke sententie voornoemde Schepenen van Huysen, Hilversum ende Blaricum, soo wel in huer luyder name, als in de name van allen den inwoonders van Goylant voorsz. henluyden bevelende daarbij etc. ( beswaart ende geinteresseert sijn hem gedragen hadden als appelanten aen ons ende aen ons lieven ende getrouwenden precident ende luijden van onsen grooten rade ende daartoe verkregen onse behoorlijke opene brieven uijt geragte van den welcken, sij hadden gedaan dagvaarden den voornoemden van onsen rade in Hollant ede intimeren den voornoemde Schepenen onser stede van Naarden, te koemen ende te compareren tot seekeren verstreken dage in onsen voorsz grooten rade, ende ten voorsz gesetten dage dienende, of ander daar vooren onderhouden compareerdenden de voorsz partijen bij heur lieden procureurs in regten van wegen der voorsz appellatien verhalen de 't inhouden van heur lieder voorsz open letteren van venuen court, hadden verklaart geweest de grieven van heur lieder appellatien, sulcx als hen luijden goet gedagt heeft gehadt, ende bij de redenen ende middelen van heur en 't wegen gealligeert, geconcludeert ten fine dat sij ontfangen worden als appelanten geseijt en verklaart wel geappelleert te hebben, ende voort meer alpertinentelijken in materie van appele, makende eijsch van kosten, waar jegens van wegens den voornoemde geinimeerden geantwoort ware geweest, ende behoudens den sijnen van desertien, ende van niet ontfanckelijk voor antwoorde gesustineert de voorsz sententie van de voornoemden van onsen rade in Hollant waar van geappeleert was als boeven, seggende voorts dat het proses aldaar beleet, was 't proses bij geschrifte, ende dat oversulkx ontfangen oversien ende getermineert behoorde te sijn ex eufdem actis anbene vel male, concluderende voort meer ook al pertinentelijken in materie van appele, makende ins-gelijkx eijsch van kosten, ende de sake gepresenteert sijnde om bij den appellanten in der selver te replicieren, de faut ware gegeven ende verleent geweest de voornoemde geintimeerden ten versoecke van heur lieder procureur tegens den voornoemde appelanten welck defaut deselve appelanten soude moegen pur geren, ende afslaan binnen veertien dagen doen eerst boe-mende, andersints, ende den selven dagh verstreken sijnde 't proses van de voornoemde partijen beleijt in onsen voorsz rade in Hollant, hadde bij den Hoeve van doen ontfaam geweest, als proces bij geschrifte, omme gewesen ende getermineert te worden ex eufdem actis als boeven, ende alsoo de voornoemde appelanten 't voorsz defaut niet gepurgeert en hadden binnen den dagh daartoe geprefigeert, soo hadden de voornoemde geintimeerden heur lieden sack ten Hoeve gedient, ende ons daar naar seer ernstelijken versogt, haar luijden regt en justitie geadministreert te worden op heur lieden voorsz proces, daarom gecompareert sijnde tot meer stonden bij hare procureurs gecommiteerden ende zolliciteurs in onsen voorsz grooten rade, doen te weten, dat ten alder lesten oversien ende gevisenteert in den selven onsen grooten rade 't proces van den voornoemden partijen, ende alle 't geene dat bij dien geblekenis, geconcidireert voorts ende overgewogent gunt dat in desen geconcidireert ende overgewoegen behoorde te sijn ende dat heeft konnen ende mogen moveren Wij met rijpe delibratie van rade hebben geseyt ende verklaart, seggen ende verklaren bij desen onse sententie diffintive ende voor regt, dat wel gewesen is geweest bij den voornoemden van onsen rade in Hollant, ende qualijck geappelleert bij den voornoemden appelanten sal de voorsz sententie waarvan geappelleert is geweest als boeven sorteren haren volkoemen ende geheelen effect ende hebben gecondemneert, ende condemneren denselven appellanten, in de boeten van den frivoolen appel, mitsgaders inde kosten van processe de tauxatie van den selven kosten gereserveert de luijden van onsen grooten rade, ten oirkonde hebben wij onsen zegel hieraen doen hangen, gergeven binnen onsen Stede van Mechelen, den eersten dage van Sebtember in den Jare onses Heeren Duisent Vijf Hondert ende agt en veertigh van onsen Keijserrijke 't negen en 't twintigste, ende van onsen Rijke van Spangien, beijde Cicilien ende andere drie en dertig, bij den Keijser, ter relatie van den rade, was ondertekent Jettus, hebbende een groot zegel in rooden wassen onder aen hangende, met een dubbelde franchijnen staart naar gedane collatie jegens den principalen , soo is dese copije daar mede bevonden te accorderen, actum in Naarden ende tot oirkonde soo is desen bij mij ondertekent op den 6 Novemb. 1705 Cornelis BrouwerNot. Pub.
___________________________________________________________________________
Op Heden den 8 Sebtember 1719 bij mij ondergesz. uijtgecopieert Lambert Rijcksz Lustigh
---------------------------------------------------------------------------
Wat van eenige gealligeerde saken sijn woude het principaal wel sien vertrouwe daar meer in te sullen vinden ______________________________________________________________
RIJKSARCHIEF NOORD HOLLAND (RAH)
KRONIEK LUSTIGH NAARDENToegang 176 inv. nr. 1527 A (214 blz.)
1572 B mapje met een transcriptie van RAH blz. 1 t/m 25
___________________
RAH 17
Voorn. Pieter Gerrits en sijn vrouw tegen die Blaricummer man seijde ........ ______________________
RAH 43
Eerste ... soo ras een (ruut) [runt]beest sieck wort, soo verliest het sijn lust, en het herkauwt [niet] (indt) daardoor te kennen gevende, hoe dat sijn derde penssack of maagen, niet alleen geen geherkauwt hoij of andere ....... wegene sijn opgepropte volheijt hebben wel maar voornaam omdat de selve derde penssacke of maage, sige selve door het pestilentald verder af van drei...., die daarin vierlijxc verhittentvast sit den doorganse toesluijt, soo datter op die tijt, niet meer in noch uijt wil, ende soo lange die maagen van het beest toeblijft, soo en maakt het geen melck meer. Ende het en geeft aan sijn kalf, soo het beest met kalf is, en ooc aan sijn gansche lichaam geen voetsel meer, soo langen (segere), als de maagen toe blijft.
Ten tweede , daar op wort dan het beest huiverigh, en van buijten aan sijn heele lijf ser kouwelijck en de eenige die het heel swaar en serk sieck worden, die rilhoofden van kouwelijckheijt, ende dan soo staart het selve beest te geluijk seer dommelijck dof en treuriges, ende eenige wel een dagh alsoo gestaan hebbende, krijgen de groote schure en sware hitte aan haar geheele lijf.
RAH 51, 52
Placaat 23 Januarij 1714
RAH 53
Eerwaarde broeder welligt sult gij mij bij desen vragen of Ja (int) [niet] eenige koebeesten nadat sij gestorven waren hebben sien openen, ende (oot) [ook] Ja niet bij een nauwkeurige ontleden van alle inwendige en uijtwendige leden en delen van dien daar door ordentlijck en onderscheijdelijck hebben gesien hoe het met deselve beesten van binnen en van buijten gelegen waar en waaraen sij mogten gestorven sijn.
____________________
Eerwaarde broeder, Ja antwoorde hierop Ja, Ja, dogh Ja en hebben het selve niet met hoveerdigheijt ofte met curiusheijt gesien, maar met (Eebiddige) [eerbiedige] nederigheijt en met een verslagen benautheijt mijnes herten, Ja sodaniges dat de vilder der beesten Gerrit Jacob Koemin, een eerlijke en opregt vroom man, die gij mede beneffens mij al van der jeugt af aen hebt gekent, tegens mij seide, (hof) [of] bent gij dus veraltereert en benauwt, gij staat immers boeven de wint, gij en hebt alsoo geen noot om besmet te worden, want het is en (oock) koutweer, dogh hij en wist niet wat bedenkingen dat Ja al hadde (Mts) [etc]
____________________
RAH 57
[ Over veepest 1714, zoals veel stukjes]
RAH 65
[ Over wonderlijk licht]
RAH 83
[Sterke 'Nooderwint 26.02.1714: bomen omgewaaid, schepen in nood]
RAH 87
[ Over runderpest, zoals veel stukjes. Vaak met vermelding van de eigenaar van het vee]
RAH 88
10 Maart 1714 [ 69 gestorven koebeesten in Blaricum, het bekende stukje. Het stond ooit o.a. in TVE, zie ook LUSTPEST.BLR][Ik meen dat ook de brand te Blaricum in 1696 in RAH staat, alleen het bladnr. is onbekend]
_____________________
RAH 89
Ende soo ja wel onderrigt ben, soo isser in den dorpe van Bussum van de winter niet eenen koebeest gestorven, oock niet een op Craloo, oock niet een op Out Naarden, oock niet een op het Nieuwe Huijs, oock niet een op Oud Bussum.
____________________
RAH 91
sijn gelijcen gebleken is, aen een mede koe van Jan Willems Boer en aen een milt beest van Cornelis Lamberts Smit, en aen een milt beest van Lambert Willems Krayer en aen een milt beest van Magteltje Hendrix en aen een milt beest op Oude Naarden en aen meer anderen
_________________
RAH 95
[Over ongezonde stallen, (daardoor) waardoor de besmettinge niet (overleerg) overgaat]
_______________
RAH 96, 97
[Vier uitgehongerde, afgedankte, Duitse Zwitserse huursoldaten gingen van Utrecht naar Amsterdam]
.......... Loenersloot vier Duitsers afgedankte Switsers vanuijt Uijtregt na Amsterdam voort quamen reijsen, die (welde) geen gelt hadden om eten te kopen en grooten honger hebbende en niet wetende waar sij den honger mede stillen souden, soo sien sij aldaar in een ouwe vuijle sloot eenige calmins wortelen staan, welke wat bitter van smaake sijn, en van welke sij oock wat proeven, maar daar bij soo sien sij eenen (disbronte) wortel hebbende de gedaante van een (pinxternabrel), de welke sij oock uijt trekken, en daar van een ijgelijse wat medelende ende alsoo de smaak van dese wortel wat zoutagtiger was, soo aten sij desselve wortel bij stuckens op ende soo ras en hadde sij dese wortel niet opgegeten of één deser 4 personen die wort qualijk en sij met haar vier personen een weijniges voortgegaan sijnde, soo quamen sij bij een Herberge tot Loendersloot, ende doen eijsche dese qualijken man een weijnigje genever, 't welck men aen hem gaf, doch het wert hiermede niet beter, maar erger, waarom dat de lieden aldaar hem tusschen twee mannen gaande aen een huijs van een medicijnmr. bragten welke medicijnmr. aenstonts wat in gaf, dogh dat en holp niet, waarom dat de medicijnmr. hem andermaal wat ingaf en doen raakte hij aen 't braken, waardoor hij het fenijn quyt raakt, ende wederom bij de drie andere personen met de doot te worstelen, want die waren soo van malkanderen uijtbreijden, en alle drie soo haastelijk als samen den doot stierven, voorwaar een vreemde sake en (droohtig) voorval, weijninge diergelijx alhier te lande gebeurt.
_____________________
RAH 98
Op dien selve 22 april 1714 doen is 't dat Jacob Jans Verwer woonagtigh tot Blaricum, aen mij vertelt, hoe dat sijn huijsvrouw Trijntje Jans en met sijne twee zoonen Hendrik en Jonge Jan op een schemeravont in den voorleden Jare 1714, en dat in de herfst, soo als sij in hare nenge waren om boeckweijt te binden, hebben bij haar sien nedervallen een groot viervonckigh ligt, 't welke seer kragtigen vier vonckende op de aarde, waar van sij seer grootelijk verschrickte.Ja op dat selve ogenblik, doen sagen Teunis Fransz mede wonagtigh tot Blaricum staande op de Oombergh dat selve viervonckige ligt bij de voore mensen op aarde leggen voncken. Jacob Jans Verwer als doen al verder aen mij vertelde, hoe dat sijn outste soon Jan, soo als hij in dien selve hert is, indien selve Jare 1713 op een schemeravont in Rijsbergen bij Caliskampwas te melcken, doen heeft gesien een groot viervonckig ligt, hebbende de gedaande van een vierige swaart, 't welke hij sagh een stuck boeven de huijsen van blaricum heen sweven en sweefde alsoo, vandaar na de Buijtendijckse kerk van Eemenes heenen, en alsoo van daar voort na het suijden toe. Voorwaar wonderbare pestilital vier vonckige ligten.Ja Ja vrees voor noch swaarden pestilentie onder vee en menschen.
________________________________________
RAH 99
Soo ist dat wij goijsche regenten van Stad en Lande een resolutie hebben gemaakt, en oock doen publiceren, dat soo wie Vriese koeijen kogt, deselve weeken sal moeten houden buijten ymants schade, ja soo is voorts ten selven Sint Geertruijten dage, bij den selven regenten geresolveert, en weijnige daarna oock gepubliceert dat niemant van buijten Goijlant met siecke koeijen sal moegen drijven over onse gemeentens, op peesi soo wie contrarie doet, die sal verbeuren 50 guld. op dijndagen.
Den 1 Maij doen sag men al wederom uijter Zee , even diergelijk uijtwasemende damp koemen, geleijk op 23 april geschiet was.
Op donderdagh tegen den avont den 10 Maij 1714 doen quam uijt den zuijtwesten een wackere buije regen, en gemengt met eenige donder en blicksem slagen, waar men hoorde seggen, dat de spits van de kerck tot Loendersloot in brant raakte en brande deselve spits oock geheel af.
Op saterdagsmorgen den 19 Maij 1714, doen hebben - Ja, en ons ganschen arbeijts volck met onse oogen gesien, dat niet alleen het aartrijk alhier seer hert bevroren was, maar oock op het water een sterke schaal ijs bevroren lagh.
De sterfte onder 't runtvee die duert op vele plaatsen nogh.
_________________________
RAH 118
17.03.1716 Lustigh naar begrafenis van de zoon van zijn zwager Jacob Gerritsz: 'jongste soon Adriaan die aan de pokken gestorven is te Loosdrecht.
RAH 128
Op 18.09.1692 was er een aardbeving in Nederland, Vlaanderen en Engeland
______________________
RAH 134
In Amersfoort is op 1 Juny 1717 een kind geboren met 4 benen
______________________
RAH 137
[transcriptie F.de G , zie ook drukkerij Visser blz. 13t/m 16]
"Omtrent den Jare 1646 doen is het alhier in den dorpe Huijsen gebeurt, hoe dat Geertje Melsen, de huijsvrouw van Jan Jaap Jongerden, op eenen dagh, soo als haar voorz. man om plaggen te halen in 't veldt was. Barensnood overquam en terwijl sij niemant bij haar hadde soo quam daar ter selve tijt een schamele vrouw, met een mantje aen de arm om een aelmoes aen de deur bedelen, aen de welcke sij versogt dat sij eenige Bueren mogt inhalen om haar te helpen dat sij Barensnoot hadde, de schamele vrouw segt tegens haar, dat sij haar wel helpen konde, sij komt in huijs. sij helpt haar, sij baart een kint, sij helpt de kraamvrouw te bedt, sij bakert het kint, sij wint het in doeken, sij gaater stilletjes mee heen, de voornoemde man komt met de wagen thuijs, hij vint sijn vrouw in 't kraambedde leggen, hij vraagt naar 't kint, sijn voornoemde vrouw, verhaalt de vorenstaande sake, de arme vrouw was met het kint wegh, men sogt de arme vrouw met het gestolen kint eenige dagen met paarden, men vont niet, dese sake hebbe ick ser dickwijls mijne ouders en andere luijden die het beleeft hadden hooren zeggen.Omtrent den Jare 1710 doen was Rut Lamberts Doorn aen de Tol acker en willende van daar gaan, soo vraagt een out schamel mannetje aen hen waar na toe, hij segt na Huijsen, wel segt het oude mannetje, ik ben een Huijser van geboorte, maar ik ben een gestoelen kint, waar op de voorz. Rut Doorn seijde kom ga mee ik houwe u geselschap, hij segt ik ken geen vrient of maagt ik ga niet mee, Rut Doorn segt hoe weet gij dat, dat gij een gestoelen kint bent, hij segt dat sijn genaamde moeder te Middelborgh in Zeelant op haar sterfbedde leggende niet kon sterven voor dat sij aen hem hadde gesegt, dat hij tot Huijsen geboren was, en sij hem daar gestoelen hadde.Rut Doorn thuijs gekoemen sijnde ende noijt van een soo gestoelen kint gehoort hebbende, vertelde dit aen mij, en aen andere oude luijden, die alle seer wel van dese geboorte en van dit gestoelen kint wisten. Ja Lubbert Jacobsz, Peetje Lamberts, en Bijtje Willemse alle in de 80 Jaren out weten grondig van dit gestoelen kint te spreken, want het in haar jonge Jaren voorgevallen is".
"Ja, de voornoemde Jan Jaap Jongerden en Geertje Melsen hebbe ik wel gekent, ja in den Jare 1672 doen wierd dese Jan Jongerden in onse weijde, in de Haart, van sijn varre seer jammerlijck gestoeken, waarom wij sijn varre met roors doot schoeten, dat hij bolleckte, en liep noch voor de stal, en viel dar doot.Ja, omtrent den Jare 1630, doen raakte dese Jan Jongerden nogh jongelingh sijnde met een andere jongelingh die hals en hoofd grooter was als hij questij en hij gaf sijn partij een kleijnen snee agter in de pijp van sijn arm, en alsoo de maan daar in was, stierf sijn partij daar aen, hij vlugtede tot Bunschoten, het wiert versoent. Hij trouwde van daar de voorzeide Geertje Melsen, alwaar, sijn Zoons Zoon en Dogter, Klaas, Klaasje, noch vrienden hebbende van haar grootmoeders wegen".
_________________________
RAH 138
Noch is waar dat Ebbe Klaasz van Blaricum in den Jare 1700 aen mij vertelt heeft, dat aen hem van overmeer dan 50 Jaren geleden verhaalt heeft Matje Everts de huijsvrouw van Kleijn Lambert tot Blaricum, dat sij in haar jonge Jaren met har oogen hadde gesien dat seeven gooische wagens met (heet) geladen uijt Gelderlant quamen, het Kleijne Hoevense Heck uijt, welke (heet) de boeren onder haar hoij leijden, en 't winters branden.
Buijten 'twijfel doen ter tijt, de mont van de rivier de Eem soo nauw sijnde dat men doen een brugge daarover kon leggen.
______________________
RAH 150
19.04.1714'vermaarde dief Jacob Vrederic Muller alias Sjakoo' [Over deze dief is ook in andere bronnen veel geschreven]
_____________________
RAH 151, 152 [Zie Criminele Rol]
Dirk Jansen Spilt 31 jaar ... gestolen (huuden) [huiden] uit een ton bij Gerrit Koeminnen en verkocht in Baarn - ook bij Heeren Huijs van Hinlopen .....opgesloten in het JAN DUIJMEN GAT[zie de Criminele Rol van Naarden]
RAH 151, 152
[ transcriptie F. de G. zie ook drukkerij Visser blz. 16 en 17]
"Op Donderdag den 4 Augustus 1718 doen wiert Dirck Jansen Spilt out omtrent 31 Jaren, en noch jonghman, en hier wonagtigh sijnde door onse schout L. Keelwigh, geassisteert met onse dienaar Joost Vree: bij 't heck van Goosen Reijrz soo hij stont en dijcktegeapprehendeert [gegrepen], ende gebonden als een dief tot onse schouten gebragt, ende quam daar voort Gerardus Gansneb, genaamt Tingnagel Schout van Naarden, de welcke hem gevangen in presentie van twee onser schepenen afvraagde, of hij vier huijden uijt de ton bij Gerrit Koeminnen niet hadde gestoelen en tot Baarn verkogt etc.: waar op hij seijde ja, ende of hij niet een groot bleeck kleeren tot Schravelant gestoelen hadde, en wat daar van wederom hadde gebragt etc.; waar op hij seijde, ja, ende of hij niet omtrent den bergh in 't Heeren Huijs van Hinlopen veel goedt gestoelen hadde, en door een swaar dreijgement van te vangen, het selve niet hadde weten stilletjes te laten weerom brengen, ende na dat hij dese drie diefstallen hadde bekent, soo wiert hij met twee dienders bij hem op de wagen van Gerrit Hendr. Boom op den Stadt huijse tot Naarden in de gijselkamer gevangen gebragt, ende na dat hij daar omtrent een weeck hadde geseten, en niet meer woude klappen, doen wiert hij aldaar in Jan Duijmen gat geset ende terwijl hij daar in sat liep onse schout geweldigh bij dese of gene om hem te laten verswaren, ende wiert door eenen Gerrit Duijm van Blaricum, en van een ketelbouter van Eemnes merckelijk beswaart, ende nadien hij noch eenige dieverijen meer hadde beleden, soo in Waterlant met het steelen van een bleeck kleeren, en een vaatje haringh uijt een man sijn schuijt gestoelen, ende alhier tweemaal appelen en peeren uijt de tuijn van Jacob Brantz gestoelen, soo wiert hij na drie weecken geseten te hebben in Jan Duijmen gat daar uijt gelaten en in de voorz. gijselkamer geset, ende nadien sijn nabestaande vrienden noch wat bij schepenen voor hem spraken, soo wiert sijn vonnis bij schepenen van Naarden genadelijk op 31 Augustus 1718 te boeck geset. Ende nadien alle ordinantiën bij de schout van Naarden gestelt en gereguleert was, om den voorz. gevangene te Exicuteren.
Soo is, op Donderdagh den 8 September den voorz. gevangene publijk in den Stadthuijse voor de gespanne vierschaar sijn belijdenis en sententie in 't aanhoren van een menigte toehoorders, hem voorgelesen welcke ontrent aldus luijt.Hoe hij ontrent 31 Jaren out was, ende hoe hij alle de voormelde dieverijen hadde gedaan etc. ; ende hoe hierom publijk op 't schavot moest worden gegeeselt en gebrantmerckt, ende wiert daar en boeven voor de tijt van 20 Jaren uijt de lande van Hollant en Westvrieslant gebannen.Ende is daarop, soo aenstonts door de Beul sijn knegt van Haarlem op het schavot ontrent 40 slagen gegeeselt en ligt gebrantmerckt, ende los gemaakt sijnde en een weijnigh binnen den Stadthuijse geweest sijnde wiert op het Stadthuijs klockgeluijt, ende hier op wiert hij door Jan Boelhouwer stadsdienaar van Naarden ter stadspoorten uijtgeleijt".
______________________
RAH 163
14.04.1719 : Drenkelingen aan de kust gevonden door een Huizer herdersjongen, die met schapen langs de kust van Muiderberg naar Huizen ging.
_________________
RAH 163 [Tussen de bladzijden zit een los beschreven blad met oude tekst en een kalenderblaadje van zaterdag 8 Juli. Waarschijnlijk een kalenderblaadje van Frederik Schram uit ca. 1900]
_________________
RAH 167, 168[Over het bekende verhaal van het afgezette been van de Schout van Blaricum]
RAH 173Item Maria Klaas de Swarts een gewesen schoutten dogter alhier wonagtigh en out 86 jaren .......
mede wacker in 't danssen en springen was, soo viel een groote vonck viers uijt haren toebackpijp in haar bossem, en sij dat gwaar wordende, en niet willende weten dat het ymant sagh / soo wrongh sij het selve met haar handen op haren naakten borst uijt welk litteken daar van behoudende, sij op gister den 29 Oct. deses Jaars 1719 sijnde ruijm soo groot als een dubbele stuijver, aen mij eerwaarlijk vertoont heeft, en doch de voorn. Jan Meijnz die kogt wel wederom de buijten (duise ...) [dijkse ?) koornmoelen op Emenes maar het vergingh hem daar niet wel, en stierf aldaar
____________________
RAH 177
( transcriptie F. de G. - zie ook drukkerij Visser blz. 71)
[ 26.11.1719 : Over de drooggevallen zeebodem bij Oud Naarden]
'Op Sondagh den 26 Nov. deses Jaars 1719 doen was het met een Zuijtwestenwint seer laagen water
"Op Sondagh den 26 November 1719 doen was het den geheelen dagh met een stercke Zuijtwesten wint seer laagh water, ende alsoo ik het op den middagh wel wist, soo was het op d namiddagh na de leste predikatie, dat ick uijt verlusstinge op zeestrant bij Eevenkamp ging kijken hoe laag het water wel was, en of ik van daar gelijck voormaals de oude puijn en steenhopen van out Naardinc wel soude sien, ende daar gekoemen sijnde doen sagh ik de vboornoemde plaats van verre droogh leggen en de Jan Harmens de Vries die hadde mijn na see toe sien gaan en die quam op den hoeck van den Wolfskamerdijck met Klaasoom bij mij. Klaas woude na sijn schuit toe gaan die droogh lagh waarom ick tegen jan de Vries seijde kom laat ons oock een stuck megaan ende een stuck voort gegaan sijnde seijde ik tegen Jan de Vries, laat ons eens op de plaat Out Naerdinc gaan, dan kont gij altijt noch seggen, dat gij met mijn op die plaats geweest hebt, hij ging een stuck weegs met twee jonges bij ons, na de voorz. plaats teo, maar siende, dat noch twee jongelingen van haar botpleijten afgingenb, mede naar de voorz. plaats toe ende siende dat die twee jongelingen doen die nabij onse veerschepen quamen met haare leersen aen, in een gat, ter halverbeens doorgingen ende wij met onse kousen en schoenen watren, soo dorst hij niet verder, ende alhoewel ik aen hem seijde, dat is 't gat voor desen een schip ingeseten heeft gaat maar voort ik sal uw wel geleijden dat wij droogvoets sullen koemen, hij keerdfe met de twee jonges wederom, ende ick ging voort en quam op de plaats out Naerdinc, ende nadat ik een weijnigje op die plaats geweest was, daar ik over ruijm selven jaren kerckeleijden gevonden geraapt en van daar thuijs gebragt hadde, soo quamen de voorz. twee jongelingen genaamt Jacob Lubberts Baas en Pieter Jacobsz ende doen voort nocht eenen Swaninck Tijmonz aldaar bij mij tegen dewelcke ick seijde sie daar heeft de kercke gestaan ende daar heeft den ringh van den kerckmuur gestaan, gelijck gij hare hoeck keijsteenen noch kunt sien ende in dese rijngh van 't kerckhof leijt den koperen rooster, daar deese en geene soo menighmaal aangeweest hebben, ende wij hadden niet alleen geen van allen eijts bij ons, om daar meede den rooster te soecken maar den avont daar wesende, ende het water voor bij en onse voeten koemende, en oock siende met magt het selve aenkoemende soo kon ik aen dese voorz. drie personen niet meer doen als eenige grooten steenen en neergeslagen boomen aen te wijsen, hierop vertrocken wij aenstonts wederom sijlieden na hare botpleijten en ik na lant toe, middeleer wijle sagh ick dat den gront van Out Naerdinc tot aan de thuijn van nu out Naarden doorgaans wat hooger is als aen beijde sijden is.
RAH 178 vervolg RAH 177 ( staat niet in 'Visser')
De namen van dese jongelingen waren Jacob Lubbertsz Baas de jonge, PIETER JACOBSZ GOIJER en Swanink Tijmensz, tegen de welke Ja seijde 'zie daar' heeft de (Keven ?) [Kerck] gestaan. Zie daar van dat ribbetje met Leijden [leien ?] daar hebben Ja over ruijm seven Jaren leijen van 't huijs gebragt. Zie daar in dien kerckmuurringen daar leijt een koperen kerckrooster in worts. Soo wees ja aen haar noch eenige omgeslagen boomen op welke sij liepen ende alsoo midderwijl de wint stildegen na westen liep, en het aenkoomende water onder onse voeten quam, ende het begon doncker te worden, soo konden wij op die plaats, met voordeel niet meer doen, waarom sij na haar botpleijten gingen en ja na lant, ende soo quam ik nogh met koussen en schoenen droogh voets te lande, ende in 't ....
Onbekend geschrift Lustgh (Drukkerij Visser blz. 72)
Naarden, in den jaere 1223 genaemt Nardinc, ende in den jaere 1280 genaemt Nerdinc ende in den jaere 1296 genaemt Narden, die stadt die plagt te staen ontrent 200 roeden van de Clooster kercke tot Wijnsum, dat nu Oudennaerden genaemt wordt, zeewaerts in. Die stadt out Nardinc, die noch op heeden in sijne fondamenteele gronden, met seer groote steenen ende nauwe steenstraeten, ende met haere omgeslagen boomen, en met haere andere minerale en raere grontwercken, als van een gegoeten metalen kerckrooster leggende op de oostzijde van de voorsegde stad, daar haere kercke gestaen heeft, gelijck ik, met mijn jongste soon Adriaan bij seer laagen warter op den 12 October 1712 voor het meerendeels hebbe gesien, ende noch kerk-leijden van daer naer huijs gebragt. Voor een eeuwige memorie bij mij onderschreeven en opgestelt in 't jaar 1718, Lambert Rijksz Lustigh.
_______________________
RAH 179 ( transcriptie F. de G.- zie ook Drukkerij Visser 27 t/m 30)
Anno 1719 op vrijdagmorgen 29 December ontrent de klocke drie uren. Doen ontstont in een huijs van onse jegenwoordige Schout Lambert J. Keelwigh, te weten het huijs gekoemen van Hansje Fijtissen, eene verschrickelijke en erbarmelijke brant, ende dat met een strege zuijtwesten koude en vriesende wint soodanigh dat men niet anders dagt, ofte het beste en meeste van ons schoone en welvarenste dorp, ende met al datter in was soude verbranden, dogh op het klocke geklep, slaande op eene kant, gelijk men in soodanige droevige gevallen alhier gewoon is, den brantklock te doen kleppen, soo quamen het meesten deel van onse ingesetenen ende ook onse precident Buijrmr. Jacob Cornelisz Keelwigh, niet alleen bij het voornoemde brandende huijs te voorschijn, maar soo door het wacker commanderen van de voornoemde Jaap Ceesen als door eenig jongelingen te weten Lambert Ebben Koij, Jacob Lubbertz Baas, Jan Harmensz en andere meer, die als getrouwe helden op 't voorhuijs van Jannetje Tijmons Witten met leeren klommen, enmde door anderen jongelingen, ende vigilante maagden aen haar een krachtigh water toe bragten waar mede de jongelingen die op het gemelde huijs waren soo sterck het dack en voormeur ende deuren en vensteren, met water goeten, ende het juijst op die tijt, terwijlhet voormelde huijs afbrande, seer hart vroer, dat het water op dat huijs van Jannetje bevroor ende alschoon die voormelden jongelingen, hare klederen aen hare lijven versengden ende hare aengesigten, en hare oogen, door het brandende veur, van 't brandende huijs, seer schadeloos wierden, soo hielden sij noch alle het volck niet op met water te gieten, ende met zand te goijen tot het voorz. brandende huijs geheel tot polver verbrant was, ja terwijl het voorz. huijs soo vel brande, soo vloegh den rook van ons dorp heen maar verscheijdene brandende stroo, en riet dotten, die vloegen en vielen oock op eenige huijsen ende lagen daer op te verbranden eenige tijt tot dat sij uijt gingen, 't welck alle met schreijende oogen aenschouwt wierde, ja indien op die selve tijt op onse huijsen niet een weijnigh bevroeren sneeuw was geweest, ter dickte van ontrent een stroobreet ende soo hart op die tijt niet hadt gevroren, gelijck voorseijt is, soo soude sekerlijken, menschelijker wijse te spreken, het meeste en beste van 't dorp verbrant hebben, dogh de Heere sij van ons gelooft, gedankt, geEert en Hoogelijk gepresen, dat hij noch niet in sijn toorn heeft geremieert, maar ons noch in sijne barmhertigheijt ontfermt heeft, ja in het selve voorz. afgebrande huijs, daar sijn niet alleen in verbrant ontrent 100 mudde, soo gedorste als ongedorste rogge en boeckweijt van onse schout, maar daar is ook in verbrant alle het linnen, wollen, beddebolster, kast, weefgetouw, ende allerhande huijsraat van Lambert Gerritz Swem, van sijn vrouw Peetje elberts, en van sijn soon Gerrit L. Swem. Welcke personen in dit huijs woonden, ende ternauwernoot bijna naakt uijt dat huijs quamen, ende alsoo het voornoemde Lambert Swem mijn na neef, noch eerst gewaar wierde, van datter in 't agterhuijs brant was, soo weckte hij sijn soon, sijn vrouw, ende Jannetje Goossens met haar dogter Hijntje, die in de kamer woonden, op welcke ter nauwernoot haar kasken en meubeljes, daar uijt kreegh, vervolgens soo gingh Lambert Swem met sijn siecke lijf noch, en klopte de voorgemelde Jannetje Witten, met alle die daar woonden, op, voorts liep de soon van Gerrit Swem na de klock, ende de koster opgeweckt hebbende roerde en klepte hij den brantklock Etc.Hoe het voornoemde huijs in brant is geraakt weet ik noch niet, de Heer onse Godt die het weet, ik sal het wel noijt weten, altijt daar vallen bij ons menschen veele discoursen over, want den eenen zustineert zus, ende den ander soo. Dogh van drie een is seecker, namentlijk, door een brantstigter, of door onversigtigheijt, onnoselheijt of onwetentheijt van Lambert Swem, zoon of vrouw, ofte door den jongen hont, die daar in verbrant is, dat die met sijn haijrbrandende lijf, bij den roggemijt is gekropen daar hij doot lagh, altijt soo schijnt de brant aen den roggemijt aengekoemen te sijn.
___________________________
RAH 181Juni 1696 Brand bij de smid in Huizen [bekend verhaal]
RAH 181Maand april 1677 brand in huisje. [hierin staat ook de zin:] 'is ook één van degenen die ook op den metalen rooster, die noch leit op de plaats daar out Naerden gestaan heeft' _________________
RAH 18511.01.1711 Acht personen op het ijs [bekend ???]
___________________
RAH 18606.01.1709 om 7 uur (begon) en seer stercken oosten houdende regen. ____________________
RAH 193
In de Jare 1646 dat in 't laast van de somer doen gaat Peter Keesen hebbende in huwelijk Jaapje Cornelis, de moeder van Gijsbert Jansz Lustigh, welke mijn vaders meutje was, met een emmer uijt melcken, hebbende een sackje met hoij bij hem, om het selve sijne koeijen te eten te geven, alsoo de koeijen dagelijckx honger leden op de gemeente, ende koemende in Rijsebergen nabij Kaliskamp geeft sijne koeijen het hoij en krijgt middelereijle een hertevanck, en blijft daar doot leggen, bij in 't huijs koemende vont men hem aldaar doot leggen, ende eenige steentjes bij hem, en één in sijn hant, en de leege emmer bij hem, 't welk een teeken was, dat hij andere koeijen van sijn hoij woude keeren, terwijl het sijne opaten - 't was mijn vaders neef Gijsbert Jansz Lustigh, sijn (stiegvader) [stiefvader], dese Peter Ceesen die alsoo aldaar doot bleef, hij woonde en hoorde doen het huijs, daar nu in woont en toebehoort Lambert Pietersz, staande dit huijs en kampje annex, aen de noortsij van Lambert Lambertsz Prins, actumm dit bij mij geschreven den 21 maart 1720, Lambert Rijcksz Lustigh out 63 Jaren, elf maanden en vijff dagen.
[niet duidelijk of Lustigh koijen of koeijen schrijft]
__________________
RAH 193 [TVE ]
17 Maart de koe van Jacob Melse Boor door de smid van Blaricum , Jacob de smid ..... teruggedaan
[staat in TVE jrg. ?]
___________________
RAH 194
Gaat over wolven. In de tekst staat ook WEERWOLF. ________________________
RAH 195
Ick ben door Last van dieop Venusbergh verheven[Met een getekend wapenschild]
__________________
I I I A is een soort boompje
I A I Z I Z is een zwaantjeI
________I_______
II I II Z I A II
________I_______I
_____________________
RAH 196 29.08.1720 :
De 19 jarige zoon van Jaap Heijn de Boer heeft zijn verstand verloren ____________________
RAH 197
23 en 24 Aug. 1720 werd Jan Gerritsz Backer in Huizen opgepakt en opgesloten in het JAN DUIJMENGAT
___________________
RAH 199
Schepenen van Naarden .... enz ... 'toegestaan om den persoon van Jan Gerritsz Backer alias Jan Goossen, die drie dagen van te voren uijtgebroken was, wederom bij klocke geslagen na te dasgen, ten eijnde om wederom op den Stadhuijse in gevangenisse te koemen om aen te Hooven den Criminele Eijsen en conclus. die ten dage dienende tegen hem sal werden gedaan en genoomen ............ enz ....
_______________
RAH 202
18 op 19 oct. 1720 Hilversummer Maat overstroomt, 7 paarden zwemmen naar het droge
____________________
RAH 203
Op den 13 Nov. des Jaars 1721 doen was een man tot Laren door Zatans aenradinge soo stout dat hij sijn Huijsvrouw met rottekruijt vergeeft, dat sij daaraan sterft hetwelk aldus als volgt heeft toegedragen, hij hadde ontrent 8 Jaren met dese sijne Egtevrouwe getrout geweest, ende sij en kreegen geen kinderen, waarom hij alte met geen goet huijs met haar houde , ender een ander liever kreegh dan haar, soo dat hij bij Hoeren en Sloeren liep en hoeree5rde voornaam met een bejaarde Vrijster, die doen inwoonde bij een vrouw die van haar man was, welke vrijster of Hoer, dit boose stuck te doen, oock aen hem geraden hadde ontrent 7 weeken te voeren eer hij sijn vrouw met rottekruijt vergeeft, soo hadde, hij hadde alhier tot Huijsen ten Huyse van Jannetje Klaas weduw van Ebbe Willemsz Koij voor seven stuvers aen rottekruijt gekogt. Ja alvoorens (een) [dat] hij van dit rottekruijt haar ingaf, soo hadde hij haar al meer als eenmaal haar met een braanappel kleijn gebrocken spelden en naalden ingekregen, maar hierdoor tot sijn voornemen met (koemen) koemen, soo ist dat op 10 nov. 1720 des avonds sijn vrouw éen potje Zumelck gekookt hadde, hij sijn boose aenslage waar nam, ende dede wat rottekruijt in haar potje met Zumelck, ende nadien sijn vrouw ontrent vier lepels vol hiervan gegeten hadde, soo wiert sij ser qualijk, ende settede het potje met zumelck voort neer en begon te braken en van agteren wel veel dreck quijt te worden, maar dat en bevrijde haar niet van de kragt dat verderf, soo dat sij buijten haar verstant raakte ende stierf aen dit verderf op Woensdag den 13 Nov. sijnde bededagen, hij en die vrouw die van haar man is, dit al samen wel wetende, soo gingh hij dese vrouw die van haar man af is, klederen ende gelt geven, sij moest beloven en soude swijgen, maar nadien dit feit ontrent weecken was verleden, soo verweet sij hem dat in sijn (Eenge ?) sigt daar meer menschen bij waren, waardoor alles het voorz. en noch meer van dese Zaak in 't openbaar quamen, waarom hij hemselven voort verbergde, 't n daarop is gaen vlugten, soo dat men jegenwoordig niet en weet waar hij is.
RAH 204
Deze man, die dit boose stuck aen sijn vrouw gedaan heeft is genaamt Kornelis Pietersen alias Pieter Beessens Kees ende sijn vrouw was genaamt Botje Klaas, sijnde beide Larens van afkomst.
____________________
RAH 208
Maart 1721 landlopers in Weesp
Opmerking:Sommige letters zijn niet altijd duidelijk. Daarom de door mij veronderstelde tekst aangegeven als [tekst], en de overgenomen tekst als (tekst). Moeilijk of niet te ontcijferen tekst .....
Bovenstaande " fo. 35 t/m 42 F '' staat ook in Verslag OMTRENT DEN OORSPRONG EN DEN AARD DER GEBRUIKREGTEN OP DE HEIDEN EN WEIDEN IN GOOILAND blz. 45 en 46 . Door A. Perk uitgegeven TE ARNHEM, bij Is. An. Nijhoff 1842
------------------------------
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl
gooijerfjj@hotmail.com
_________________________________
Labels: Gooise geschiedenis

